De geest waaruit wij leven
Op de altaarwand in de kapel van ons studiehuis in Rome stond vroeger met grote letters in het latijn geschreven “Ecce venio” (Zie ik kom) en “Ut omnes unum sint” (Dat ze allen één mogen zijn). Intussen zijn deze woorden vervangen door een muurschildering, maar in de vorm van een borduurwerk zijn ze nog steeds aanwezig in de kapel van het bejaardenoord van ons vroegere seminarie in Nijmegen. Het zijn kernwoorden van onze congregatie (=kloosterorde). Tot deze kernwoorden behoren ook de bede uit het Onze Vader “Uw rijk kome” en natuurlijk de uitdrukking “Hart van Jezus”, waaraan onze congregatie haar naam ontleent.
Elke congregatie of religieuze orde heeft haar eigen inspiratie, algemeen spiritualiteit genoemd, verbonden met haar oorsprong, geschiedenis, werkzaamheden en leefpatroon. Voor de stichter van onze congregatie, pater Dehon, en in zijn voetspoor voor heel de congregatie drukken bovengenoemde woorden kernachtig de geest uit, waaruit wij leven. Het zijn centrale woorden uit het evangelie die voor alle christenen belangrijk zijn. Ze typeren ons, maar kunnen natuurlijk nooit exclusief de onze zijn. Eerder zouden we kunnen zeggen, dat de congregatie zich met deze woorden datgene eigen maakt, wat tot het meest eigenen van de kerk behoort.
Zelfs als de congregatie in ons land en in bepaalde andere landen dreigt uit te sterven, heeft zij wat haar geest en bezieling betreft geen enkele reden om aan haar identiteit te twijfelen. Een korte reflectie over genoemde uitdrukkingen kan dit verduidelijken.

Zie ik kom
Als er één woord is, waarmee we het leven van Jezus samenvattend kunnen uitdrukken, dan is dat het woord uit psalm 40: “Zie ik kom om uw wil te doen, o God (o Vader)”. Jezus zelf zegt in het Johannesevangelie meerdere malen, dat dit de zin van zijn leven is (Joh. 4,34; 5,30; 6,38). Ook de brief aan de Hebreeën citeert deze woorden uit psalm 40 om daarmee de betekenis van leven, lijden en sterven van Jezus in zijn diepste zin te duiden (Hebr. 10,5-10). We kunnen Jezus slechts verstaan vanuit zijn liefdevolle verbondenheid met de hemelse vader. Hij is hoorzaam (luistervol en toebehorend) naar God toe en Gods dienaar naar de mensen toe.
Bij zijn doop “gingen de hemelen open” zegt het evangelie en hoorde hij de hemelse stem die zei: “Jij bent mijn geliefde zoon. In jou heb ik mijn welbehagen”. Ik denk, dat Jezus zijn ogen dicht had, toen hij de hemel open zag en dat hij niet slechts met zijn oren, maar vooral met zijn hart – dat is in het diepste van zijn persoon – hoorde, verstond en ervoer, dat hij bij God geliefd was, dat de Heer van hemel en aarde, die in de hemel troont, een vader is. Het moet helemaal door hem zijn heengegaan > De Geest van God daalde op hem neer, zegt het evangelie.
Het is de roeping en opgave van elk mens God lief te hebben met heel het hart, heel de ziel en met alle krachten. Jezus vervulde dit eerste gebod, deze levensregel of roeping, doordat hij God werkelijk boven alles liefhad. Zó wordt hij getekend door de evangelisten, zó wordt ook zijn overgave in het lijden en de dood verstaan en zó wordt hij ons ook gegeven tot “leidsman en verlosser” (Hand. 5,31).
Jezus kende God als zijn goede vader. Wanneer hij in zijn diepste innerste luistert naar de stem van God, luistert hij naar de vader, die hem liefheeft en in alles het goede wil. Jezus kon en wilde daarom niet anders doen dan het goede dat de vader door hem aan de mensen wilde doen. Dit kon voor niemand ooit slecht zijn, niet voor hemzelf en niet voor zijn medemensen.
Jezus wordt de tweede Adam genoemd, de nieuwe mens. In het Bijbelse verhaal van de schepping “kuierde God met de mens in de avondkoelte van het paradijs”, m.a.w. was de eenheid en verbondenheid tussen God en mens natuurlijk en vertrouwvol. In hetgeen de zondenval wordt genoemd werd deze verbondenheid verbroken. De mens verviel in de bekoring gelijk te willen zijn aan God. Daardoor werd God voor hem in plaats van een vriend tot een concurrent, van wie hij zich vervreemde. In het verhaal drukt zich deze vervreemding daarin uit, dat hij zich verborg voor God, hem niet meer wilde ontmoeten en uiteindelijk niet meer kennen of erkennen. Later, in het verhaal van de Toren van Babel, wilde de mens God helemaal uit de hemel verdrijven en zelf zijn plaats innemen. Je zou het een zeer actueel verhaal kunnen noemen.
Tegenover de “oude Adam” staat de “nieuwe Adam”, Jezus Christus. In tegensteling tot de Adam van het paradijs kon en wilde Jezus zich niet voor God verbergen, maar altijd en in alles met hem zijn. Anders ook dan voor veel mensen in onze wereld was God voor hem niet vreemd en niet veraf en ook geen God die dwingend en eisend de mens aan zich verplicht, maar Abba, dat is de geliefde Vader, een God die als een vader elk moment aan zijn mensen denkt en God-met-hen wil zijn. Jezus was vol van God en daarom was ook alles wat hij zei en deed, leefde en leerde, een uitdrukking van Gods liefde voor de mensen. In Vaders naam wilde Jezus de mensen bevrijden uit hun zondige staat van Godsvervreemding en hen verzoenen met hun God. Tevens wilde hij hen – ook in Vaders naam – thuisbrengen van hun dwaalwegen en hen verzoenen met elkaar > niet de zelfgenoegzaamheid is de basesregel van het leven, maar de welwillendheid en liefde voor de naaste, zowel de allernaaste als de verre naaste. Zo moeten we wel de bergrede verstaan en de parabel van de barmhartige samaritaan. Dit alles tekent natuurlijk ook de kerk en heel het christelijk geloof.
Jezus vervulde het eerste gebod doordat hij in alles wat hij leerde en leefde gestalte gaf aan zijn liefde en trouw tot God. Daarmee vervulde hij tevens het gebod van de naastenliefde. Toen dit hem uiteindelijk tot het lijden en de dood voerde, scheen het luisteren naar Gods stem, het vervullen van zijn wil en het leven van zijn leven hem niet tot heil maar tot ondergang te voeren. God leek geen goede, trouwe, leven gevende vader te zijn. Toch keerde Jezus zich ook nu niet van hem af. In doodsnood bad hij om van het lijden bespaard te mogen blijven, maar bleef tevens op hem vertrouwen tot over de dood heen. Zo wordt hij ons door de evangelist Lucas getekend, als deze zegt dat Jezus op het kruis bad: “In uw handen, Vader, leg ik mijn geest”. We zouden ons kunnen voorstellen, dat zonder God, dat is door zich niet om hem te bekommeren, niet naar hem te luisteren en niet zijn werken te doen, Jezus de kruisdood had kunnen ontlopen en zichzelf kunnen redden. Maar dan was hij niet meer Jezus geweest en had hij zich een leven gewonnen, dat voor hem geen leven was, een leven zonder God, zonder heil, zonder volmaaktheid en zonder eeuwigheid, een leven zonder hoop. Hij heeft God metterdaad in alles liefgehad en de zonde niet gekend.
In de verrijzenis toont God zich een trouwe en leven gevende God. Zoals hij in het scheppingsverhaal zijn adem in het stof blies en Adam het leven gaf, zo vervult hij ook in de verrijzenis het stof met nieuw leven en laat hij de in de aarde gevallen graankorrel honderdvoudig vrucht dragen. Zie ik kom, Vader, en geef mijn leven en word vervuld met nieuw leven.
Alle christenen zijn geroepen Jezus na te volgen en God boven alles lief te hebben. Geboren uit het vlees en bloed van Adam worden zij bekoord een leven te leiden buiten God om, maar uit Gods geest opnieuw geboren zijn zij kinderen Gods die bidden: “Zie ik kom om uw wil te doen, o Vader”. Van eenieder van hen wordt gevraagd om in navolging van Christus en samen met hem in het dagelijks leven gestalte te geven aan de liefde van God. In het voetspoor van Christus dragen zij ook het kruis van de liefde tot heil en welzijn van hun medemensen.
Zulke christenen willen ook de priesters van het Heilig Hart van Jezus zijn, met en ondanks al hun persoonlijke tekortkomingen en gebreken. Zij voelen en weten zich geroepen door de liefde van God en wijden zich door de kloostergeloften aan de broederlijke dienst en het priesterlijk ambt. Daarom staat het woord “Zie ik kom”, dat voor Jezus Christus en zijn volk zo’n centrale betekenis heeft, ook in hun gemeenschap zo sterk op de voorgrond. Het inspireert hen om zich steeds opnieuw op God te richten en in alles wat zij doen aan Gods stem gehoor te geven.

Uw rijk kome
Het rijk van God is daar, waar Gods wil geschiedt op aarde zoals in de hemel. Het is daar, waar Gods geest de menselijke verhoudingen doordringt. Het is daar, waar de mensen God in zich willen laten leven en zich daardoor tot bloei laten komen. Gods rijk is daar, waar de liefde werkelijkheid wordt.
Het rijk Gods is allereerst in Jezus zelf, die vol was van God en die als Zoon Gods beleden wordt. In hem en door hem geschiedt Gods wil op aarde zoals in de hemel. Gods rijk is in hem, die de zonde niet heeft gekend, het kwade niet heeft gediend en zich niet tot dienaar van zichzelf heeft gemaakt. Het is daar, waar de geest van Christus is, daar waar hij ook nu nog duivels uitdrijft, het kwade met het goede vergeldt, een beker water aanneemt uit de hand van een vernederde vrouw, daar waar hij over bloemen en vogels spreekt als een kind, zich ergert aan schijnheiligheid als een man en aan doden het leven geeft als een God.

Het rijk Gods is de menselijke samenleving op aarde in gemeenschap met de engelen en heiligen in de hemel. Het is niet van de wereld, d.w.z. het wordt niet door louter binnenwereldse idealen bepaald en niet aan aardse maatstaven gemeten, maar het is wel in de wereld, daar waar mensen in vrijheid leven, in liefde, geloof, gebed, geduld, begrip, openheid, vertrouwen en bereidheid tot vergeving. Het is in de wereld, waar we eten en drinken, zingen en dansen, leren en werken, bidden en alles dat doen, wat hoort bij de geest van het evangelie en de gezindheid van Jezus Christus. Het rijk Gods is overal daar, waar liefde is. De liefde vergaat niet.
Het rijk Gods is niet een aards paradijs, niet zonder meer de afwezigheid van lijden en verdriet. Het is geen land van utopie, waar we ‘s avonds van dromen, maar dat ‘s morgens niets meer met de werkelijkheid van doen heeft. Ook op het kruis was Jezus Gods geliefde zoon en ook daar werd Gods heerlijkheid openbaar. Weliswaar behoren lijden en dood, schande en teleurstelling op zich niet tot het rijk Gods, maar toch durft de kerk te verkondigen, dat in hem, die gebroken en beschaamd aan het kruis hing, alles heel en heilig wordt gemaakt. Ook als na hem het lijden voortging en in zijn naam soms zelfs toenam, durven de christenen nog altijd te bidden “Uw rijk kome, een rijk van waarheid en vrede, van heiligheid en genade, van gerechtigheid, liefde, vrede en vrijheid”.
De bede uit het Onze vader “Uw rijk kome” is een gebed van alle mensen en is ook aller opgave. Gods rijk verwerkelijkt zich elke keer, als iemand iets goeds doet, en in elke situatie waarin aan de liefde de eerste plaats wordt gegeven. Het wordt daar werkelijkheid, waar de moeder haar kind voedt, de priester ons leert bidden, de schoenmaker onze schoenen maakt en de minister van defensie weigert atoombommen te laten maken.
De Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart heeft zich vanaf haar begin willen wijden aan de centrale opgave van Christus en zijn kerk. Haar leden hebben zich gewijd aan de dienst van het rijk Gods en willen – ieder in zijn eigen opgave en situatie – ernaar streven, dat Gods leven gaat bloeien in hen zelf, in de kerk en in heel de samenleving. Daarbij moet erkend worden, dat de dagelijkse realiteit vaak weerbarstiger is dan het ideaal dat we nastreven.

Dat ze allen één zijn
Als de gemeenschap tussen God en de mensen de bron is van het christelijk leven, zo krijgt dit leven zijn vorm in de broederlijke/zusterlijke gemeenschap van de mensen onderling. Deze gemeenschap bouwt zich op op de bases van onderling respect, gelijkheid en rechtvaardigheid en ze verwerkelijkt zich in de broederlijke en zusterlijke liefde, waartoe het evangelie ons inspireert
Jezus heeft de onderlinge liefde het beslissende teken genoemd, waaraan zijn volgelingen kenbaar zullen zijn. Nog op de vooravond van zijn lijden heeft hij de Vader erom gebeden, dat hij hen in eenheid moge bewaren. Uiteindelijk is de hoogste en zelfs enigste levensregel van de christenen in alle omstandigheden van hun leven de liefde te laten zegenvieren. “Heb lief en doe wat je wilt”, durfde de heilige Augustinus te zeggen. Liefde vraagt altijd, wat is goed voor de ander of anderen. Hierbij zij opgemerkt, dat liefde vaak tegelijkertijd in vele verschillende omstandigheden beoefend wil worden en vele vormen en maten kent.
Zoals het evangelie verkondigd moet worden aan alle mensen tot aan het uiteinde der aarde en der geschiedenis, zo is ook de christelijke liefde erop gericht alle mensen tot gemeenschap te brengen. Het ene sluit het andere in. Het houdt ook in, dat we altijd willen werken aan verzoening daar, waar mensen – in het groot of in het klein – met elkaar in strijd zijn. De kerk heeft dit bewustzijn tot uitdrukking gebracht, wanneer ze van zichzelf zegt, dat ze “teken en instrument wil zijn van de innige vereniging van de mensen met God en van de onderlinge eenheid onder alle volkeren”.
Wanneer de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart de roeping van de hele kerk en van alle mensen tot haar eigen opgave maakt, verenigt zij zich met de laatste wil van Christus en met de centrale opgave van heel de kerk en stelt zij zich zo in dienst van het heil/verlossing/welzijn van de mensen.
Dit betekent natuurlijk allereerst, dat de leden van de congregatie broeders onder elkaar willen zijn en zich bij elkaar thuis mogen voelen. Deze onderlinge verbondenheid zal echter nooit een exclusief karakter dragen, maar steeds tevens degenen omvatten, waarmee eenieder zich in zijn concrete leef- en werksituatie verbonden weet. Gastvrijheid staat hoog in ons vaandel geschreven.
Ook in haar werkzaamheden heeft de congregatie zich nooit willen beperken tot bepaalde activiteiten of personengroepen. In verbondenheid met Christus en de hele kerk heeft zij zich evenwel bij voorbaat daar willen inzetten, waar dit het meest nodig was en zich tot die medemensen willen richten, die verlaten waren. Uit de aard der zaak streeft zij niet naar eigen invloed of aanzien, maar naar broederlijke solidariteit. Daarom is het niet verwonderlijk, dat de leden van de congregatie zonder selectief te willen zijn vooral onder die bevolkingsgroepen hebben gewerkt, die geen sociaal aanzien hadden. Zo heeft de stichter zich op het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw ingezet voor de ontwikkeling en de rechten van de arbeiders, hebben leden van de congregatie in verschillende landen het zeeliedenapostolaat op zich genomen, hebben zij in de slums van de grote steden de sociaal zwakken opgezocht, zijn zij bereid gevonden afgelegen parochies te bedienen en hebben zij zich ook met volle inzet aan het missiewerk gewijd.
Een duidelijk voorbeeld van de bereidheid zich voor die mensen in te zetten, die geestelijk vereenzaamd zijn, is het werk dat in Finland wordt verricht. Hier hebben de priesters van het Heilig Hart reeds meer dan honderd jaar lang de kerkelijke eenzaamheid gedeeld van de weinige zeer verspreid wonende katholieken en de geestelijke zorg voor hen op zich genomen. Tevens hebben zij zich daarbij tot taak gesteld een christelijke gemeenschap op te bouwen met andere christelijke kerken en groeperingen in dit land. Zo pogen de leden van de congregatie het gebed van Jezus te ondersteunen “dat ze allen één mogen zijn”. Ook in dit opzicht moge het duidelijk zijn, dat de dagelijkse praktijk soms weerbarstiger is dan het gestelde ideaal. M.a.w. we zijn niet zo heilig, niet zo goed en niet zo volmaakt als we eigenlijk zouden willen en moeten zijn. Ook wij moeten elkaar, als het nodig is, zeventig maal zeven maal vergeven.

Het Hart van Jezus
Toen de apostel Johannes God “liefde” noemde, stelde hij heel het gebeuren van schepping en verlossing en daarmee dus ook heel het menselijk leven in maatschappij en kerk doorslaggevend in het licht van de liefde. Daaraan beantwoordt dan ook het dubbele gebod van de liefde. De liefde tot God en de medemens is onze levensregel, de weg te gaan, onze roeping als mens, ons levenspad.
God heeft de mensen aandeel gegeven aan zijn eigen leven. In de scheppingsverhaal wordt dit uitgedrukt met het beeld, dat hij zijn adem in het stof blies, waardoor het stof een levende mens werd. Een zeer aansprekend beeld. In de Heilige Schrift wordt op vele plaatsen en op vele manieren verhaald, dat God deze adem of geest steeds weer opnieuw in de mens en de menselijke samenleving tot leven wil brengen. In Jezus Christus heeft hij zich helemaal als de God van Liefde geopenbaard en gegeven.
Jezus Christus is de icoon of het beeld van God. In hem werd God mens en Gods rijk werkelijkheid op aarde. Hij gaf zijn leven voor de mensen, opdat ook in hen de liefde zou zijn, waarvan hij zelf vervuld was en het leven, dat met de dood niet sterft.
Het hart van Jezus is het symbool van zijn liefde tot God en de mensen. Op het kruis werd de zijde van Jezus/zijn hart doorstoken met de lans van de honderdman en “er vloeide bloed en water uit”. Hiermee wordt aangeduid, dat het hart van Jezus een bron is, waaruit stromen van genade vloeien. Bloed en water verwijzen naar de sacramenten van de eucharistie en de doop. Ze zijn voedingsbronnen voor geloof en liefde. Deze stromen worden ontvangen door de kerk, die daarmee tot een dal van genade wordt. Hongerige en dorstige komen naar haar toe om zich te laven aan deze bron. De oude droom van de profeet Ezechiël (Ez.1-12) over het water, dat uit de tempel vloeit en de woestijn vruchtbaar maakt, komt opnieuw tot leven: Het hart van Jezus is als een tempel Gods en uit dat hart stroomt water en bloed, geloof en liefde, tot zegen van de wereld.
In een andere beeldspraak wordt de kerk de bruid van Christus genoemd. Zoals Eva uit de zijde van Adam geschapen werd, zo wordt de kerk geboren uit de geopende zijde/het geopende hart van de nieuwe Adam. En zoals Adam en Eva in liefde zich tot een lichaam verenigden en vruchtbaar waren, zo verenigen ook Jezus Christus en zijn bruid d.i. de kerk zich tot één lichaam en dragen zij vrucht voor de wereld.
Deze symboliek van het hart verbeeldt het wezen van de kerk. De kerk is de gemeenschap van diegenen, in wier hart de liefde van Christus is uitgestroomd. Haar leven en haar welzijn is gelegen in de gemeenschap met Christus, en in hem in de gemeenschap met God en de medemensen. De kerk is het mystieke lichaam van Christus, dat zijn leven van God ontvangt, niet om het voor zichzelf te bewaren maar om het in geloof en liefde te delen.
Deze symboliek en mystiek is voor mensen van deze tijd misschien moeilijk te verstaan, maar in dit teken draagt de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart haar naam. Tezamen met Christus willen de leden van de congregatie leven uit de liefde van God en hun leven op duizend verschillende manieren verder geven. Als ledematen in het mystieke lichaam van Christus willen zij bemiddelaars zijn van Gods liefde voor de medemensen.

Gebed

Heer Jezus Christus
Zoon van de hemelse Vader
broeder en vriend van de mensen:
Tijdens uw leven op aarde
was u open in uw liefde voor de naasten
toen u deelnam aan de feesten van geminachte mensen.
U was eerlijk in uw liefde
toen u schijnheiligheid niet kon dulden.
U was medelijdend in uw liefde
toen u de zoon van de weduwe van Naïm tot leven wekte.
U was veeleisend in uw liefde
toen u uw leerlingen vroeg alles te verlaten en u te volgen.
U was sterk in uw liefde
toen u niet toegaf aan de verlokkingen van de boze.
U was barmhartig in uw liefde
toen u om vergiffenis bad voor hen die u aan het kruis nagelden.
U was trouw in uw liefde,
toen u de geest gaf in de handen van de Vader.
Heer Jezus Christus
Zoon van de hemelse Vader
Broeder en vriend van de mensen
ontsteek in ons hart uw liefde
voor God en de naasten. Amen