Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie  "Dehonianen"

SCJ logo

2. Getuigen van de absolute voorrang van het Rijk Gods

Gezonden toen de volheid der tijden gekomen was, heeft Christus, in gehoorzaamheid aan zijn Vader, zich dienstbaar gemaakt ten bate van allen.

De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden,maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen..(Mc. 10,45).

Als nieuwe Adam heeft Hij door zijn solidariteit met de mensen de liefde van God geopenbaard en de komst van het Rijk aangekondigd : die nieuwe wereld die , door het tastend zoeken van mensen heen , reeds ontkiemt en tot voltooiing zal komen en alle verwachtingen zal overtreffen,wanneer God door Jezus alles in allen zal zijn.

Wij weten immers, dat de hele natuur zucht en barensweeën lijdt, altijd door. En niet alleen zij, ook wijzelf, die toch reeds de eerstelingen van de Geest ontvangen hebben, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam. (Rom. 8, 22 - 23) En wanneer alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zich onderwerpen aan Degene, die alles aan Hem onderwierp , opdat God zij alles in allen ( 1 Kor. 15, 28).

Christus heeft gebeden voor de komst van het Rijk, dat al werkzaam is in zijn aanwezigheid temidden van ons.

Door zijn dood en verrijzenis heeft Hij ons ontvankelijk gemaakt voor de gave van de Geest en voor de vrijheid der kinderen Gods ( vgl.Rom.8, 21).

Hij is voor ons de Eerste en de Laatste, de Levende (Apoc.1,17-18) In Hem is de nieuwe mens geschapen naar Gods beeld in ware gerechtigheid en heiligheid (vgl.Ef. 4, 24).

Dankzij Hem kunnen wij geloven dat, ondanks zonde, mislukking en onrecht, redding mogelijk is, ons aangeboden wordt en reeds is begonnen.

Zijn weg is onze weg.

Gelijk al onze medechristenen zijn wij geroepen om in Christus' voetstappen te treden en zo tot heiligheid te komen.(1 Tess.4,7).

Daartoe zijt gij geroepen : Christus zelf heeft geleden om uwentwil en u een voorbeeld nagelaten opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden ( 1 Petr. 2, 21 ).

Onze roeping tot het religieuze leven is een bijzondere gave, die geworteld is in ons doopsel en vormsel. Zij is gericht op Gods glorie en om getuigenis af te leggen van de allesovertreffende waarde van het Rijk Gods. Zij vindt haar betekenis in een volledige en blijde aanhankelijkheid aan de Persoon van Jezus.

Zij vraagt van ons dat wij Christus navolgen, die "zuiver en arm, door zijn gehooraamheid tot de dood op het kruis de mens heeft verlost en geheiligd ". (P.C.1)

Wij verbinden ons om naar de volmaakte liefde te streven door ons geheel en al te wijden aan de liefde tot God en onze broeders.

Zowel voor ieder van ons als voor onze Communiteiten heeft het religieuze leven een eigen geschiedenis : Vanaf de genade van de beginperiode ontwikkelt het zich door zich te voeden met al hetgeen de Kerk, verlicht door de Geest, voortdurend put uit de schat van haar geloof.

Terug naar boven